“We kunnen sterke cartografie en ontwerpvoorstellen blijven maken voor geïntegreerde en weerbare landschapstransformaties, maar we zijn het beu om papieren projecten te produceren. Waar is de landingsbaan voor sponslandschappen?” Die vraag vormde de rode draad doorheen het traject van de open workroom Sponslandschappen, van Call for Projects & Objects tot de slotconferentie Re-sponging Europe.
De uitspraak viel tijdens de eerste Sponge Talk van de Open Workroom Sponge Landscapes en verwoordde een breed gedeelde frustratie: hoe krijgen veelbelovende ontwerpvoorstellen ook daadwerkelijk voet aan de grond? Van eind 2025 tot de zomer van 2026 brachten we een groeiende internationale praktijkgemeenschap rond sponslandschappen samen. Regionale coalities, landschapsontwerpers, landbouwers, waterbeheerders, natuurorganisaties, onderzoekers, beleidsmakers, financiële actoren en ontwerpers onderzochten gezamenlijk wat nodig is om de stap te zetten van geïsoleerde sponsmaatregelen naar een gebiedsbrede transformatie op maat van de opgave.
Sponslandschappen staan voor een geïntegreerde aanpak om droogte, overstromingen, veerkrachtige voedselproductie en natuurherstel aan te pakken. De open workroom richtte zich op een vraag die verder reikt dan technische oplossingen en beleidskaders: hoe organiseren we ons hiervoor? Waar is de landingsplaats voor ambitieuze sponslandschappen – waar plannen niet opzij worden geschoven omdat ze te langetermijngericht of te onrealistisch zijn, maar ingebed worden in een gebiedscoalitie die er eigenaarschap over kan nemen en stap voor stap kan bouwen aan een weerbaar gebied? Kunnen we de organisatorische, financiële en institutionele voorwaarden ontwerpen die een transformatieproces op schaal van het stroomgebied mogelijk maken.
Sponslandschappen zijn van nature een publiek-private-civiele onderneming. Geen enkele actor beschikt over alle noodzakelijke middelen, bevoegdheden of gronden om ze alleen te realiseren. Tegelijk heeft niemand expliciet de opdracht om het collectieve proces van het hersponzen van onze landschappen te organiseren. Daardoor blijft iedereen naar elkaar kijken. Een van de vele voorbeelden: landgebruikers verwachten dat de overheid klimaatschade blijft vergoeden, terwijl de overheid ervan uitgaat dat landbouwers, grondeigenaars en burgers zelf de nodige maatregelen zullen nemen. Tussen die verwachtingen dreigt de transitie stil te vallen.
Of we dit nu de Politics of No One’s Responsibility noemen of de Hete Aardappel: als niemand eigenaar is van de volledige uitdaging, dan moeten we structuren bedenken die dat wel kunnen zijn. Dat vormde de centrale vraag van de slotconferentie van de open workroom.
Voortbouwend op een reeks geschematiseerde bouwstenen (zie nota) en geïnspireerd door de bijdragen van Ellis Penning (Deltares), Kjell Clarysse (Natural Infrastructure) en Alistair Maltby (Great Yellow), activeerden we op 11 juni 2026 een volle zaal van praktijkmensen aan drie multidisciplinaire werktafels. Samen schetsten we de hele dag aan de contouren van een mogelijke ‘delivery infrastructure’ voor sponslandschappen.
Hoewel de omvang van de uitdaging overweldigend is – en hoewel 2050 in het licht van klimaatverandering en landschapsherstel eigenlijk morgen is – bevestigden de gesprekken dat er redenen zijn voor optimisme. Waarom?
• Het gesprek bevestigde de overtuiging dat een sponsaanpak op stroomgebiedsniveau leidt tot aanzienlijke sociale, ecologische en economische waarde. Dat is niet langer een buikgevoel of een hypothese: we beschikken in toenemende mate over de praktijkvoorbeelden en het wetenschappelijk bewijs. We hebben daarmee de ingrediënten om de economische logica te doen kantelen. Vandaag worden kosten van degradatie vaak pas zichtbaar ná een overstroming of droogte, terwijl investeringen in gezonde landschappen nauwelijks als economische activa worden beschouwd. Samen schetsten we een perspectief waarin sponslandschappen worden behandeld als infrastructuur die schade voorkomt, economische waarde beschermt, verzekerbaarheid verhoogt, risico's verlaagt en toekomstige kosten vermijdt.
• Om dit te realiseren zit de doorbraak niet in financiering of technische optimalisatie, wel in schaal en in rollenspel. Er is voldoende geld, maar het bereikt de juiste projecten nog niet. Vrijwel alle financiële sprekers benadrukken dat kapitaal beschikbaar is. De terugkerende vragen waren: Wie neemt verantwoordelijkheid? Wie organiseert samenwerking? Wie draagt risico? Hoe verbinden we beter de doelen en instrumenten van de verschillende beleidsdomeinen?
• De schaal van het bekken of het stroomgebiedsniveau kwam veelvuldig aan bod als een gepaste schaal om het hoofd te bieden aan deze vragen. Water, risico’s en baten bewegen zich over het hele stroomgebied. We zijn ook steeds beter in staat om deze afhankelijkheden te lezen en in kaart te brengen – inclusief grond- en groenwaterstromen – wat ons in staat stelt om gedeelde verantwoordelijkheid op stroomgebiedsniveau te organiseren.
• Zo verkenden we tijdens de conferentie verschillende vormen van ‘basin vehicles’ als organisatievormen die de langetermijn uitvoering mogelijk maken, financieringsstromen bundelen en risico’s verdelen. Niet met de bedoeling om bestaande waterbeheerstructuren te vervangen of verantwoordelijkheden van lidstaten over te nemen; wel als een integrerende schaal voor uitvoering en publiek-private samenwerking.
Om een financierings- en organisatiemodel voor het sponslandschap te doen werken zijn er enkele onmisbare ingrediënten zoals gecoördineerde uitvoering (meetbare resultaten), het bundelen van inkomstenstromen (contractueel en performance-based), voldoende schaal (pipelines voor risicospreiding), de monitoring & rapportering van de meerwaarde van het sponslandschap en bepaalde garanties door de overheid (als hefboom voor private investering).
• De trekkers van gebiedscoalities, de ontwerpers, de coördinatoren, de beleidsmakers en de investeerders die dit moeten realiseren, krijgen daarmee niet alleen een technische opdracht, maar ook een culturele en maatschappelijke rol. Het gaat over eerlijk zijn over de risico’s van de toekomst; de alternatieven tonen, vertrouwen opbouwen en gebiedssolidariteit ontwerpen.
Wellicht de grootste reden tot optimisme: de bereidheid om samen te werken in stroomgebiedscoalities is vaak groter dan het (inter)nationale beleid doet vermoeden. Overal in Europa staan pionierende regio's klaar om de stap te zetten van losse pilootprojecten naar een gebiedsgerichte aanpak die de uitvoering op stroomgebiedsniveau versnelt.
De uitdaging is dan ook niet langer óf we weten wat werkt, maar hoe we die kennis kunnen vertalen naar structurele verandering. Wie creëert de ruimte waarin deze sponge-ready regio's al doende van elkaar kunnen leren, strategieën kunnen afstemmen en samen de sprong kunnen maken van experiment naar nieuwe praktijk?